Autisme & vriendschap

02-07-2025

Vriendschap. Ik vind het een lastig concept. Wat zijn vrienden precies? Wanneer ben je een kennis, en wanneer gaat dat over in vriendschap? Is het delen van persoonlijke dingen genoeg om iemand tot vriend te bestempelen? En zijn er verschillende gradaties in vriendschap — beste vrienden, goede vrienden, oppervlakkige vrienden? En hoe zit het met collega's die vrienden worden? Wanneer vindt die verschuiving plaats, en hoe weet je dat het meer is dan collegialiteit?

Ik heb een aantal mensen om me heen die voor mij overduidelijk in de categorie "vriend" vallen. Mensen bij wie ik me veilig voel, bij wie ik kan zijn wie ik ben. Die ik graag om me heen heb, en waarvan ik voel dat het wederzijds is. We vertrouwen elkaar dingen toe, drinken samen een wijntje, lachen, delen herinneringen en maken nieuwe. Maar zelfs in de omgang met deze mensen, evalueer ik bijna altijd achteraf mijn gedrag. Heb ik wel een goede app gestuurd, met de juiste toon? Heb ik geen onaardige of ongepaste dingen gezegd? Was ik leuk genoeg? Niet te stil? Of juist: heb ik niet te veel over mezelf gepraat?

Die onzekerheid zit diep. Vooral in mijn puberteit vond ik het moeilijk om vriendschappen aan te gaan. Toen ik twaalf was, verhuisden we naar een andere stad. Alles wat vertrouwd was, viel weg. Ik kende niemand, en moest opnieuw beginnen. De vriendinnetjes van vroeger, die ik al kende sinds de kleuterklas, raakten langzaam uit beeld. Ik hield het contact niet goed bij — en waar ik dat wel probeerde, voelde ik me ineens een buitenstaander. Alsof ik ergens binnendrong waar ik niet meer hoorde. Dat gevoel is gebleven: het gevoel dat vriendschap iets vluchtigs is, iets dat makkelijk vervaagt als je er niet genoeg werk van maakt.

En dat is precies het moeilijke: het onderhouden van een vriendschap vraagt energie. En die energie heb ik niet altijd. Ik wil mijn vrienden zien, maar zie er tegelijkertijd ook vaak tegenop. Als er een afspraak staat, ben ik degene die last minute afzegt. Niet omdat ik niet wil, maar omdat ik moe ben. Of omdat de gedachte aan sociaal contact me op dat moment overweldigt. Tegen een afspraak opzien, dat gebeurt bijna altijd. Niet vanwege de persoon zelf, maar vanwege de onzekerheid over hoe het zal verlopen. Wat als het gesprek niet loopt? Waar moeten we het over hebben? Hoe lang duurt het? Wanneer is het sociaal aanvaardbaar om weer naar huis te gaan? Dat soort vragen maken dat het vooruitzicht van een gezellige afspraak soms voelt als een opgave. En dus blijf ik liever thuis. Op de bank. Alleen. Daar voel ik me veilig. Toch is er altijd die tegenstelling: ik verlang naar verbinding. Ik wil mensen om me heen. Regelmatig ben ik zelfs degene die het initiatief neemt om af te spreken. Maar zodra de afspraak nadert, slaat de twijfel toe. En neemt de energie steeds meer af. 

Het blijft een zoektocht: hoe geef ik vriendschap vorm op een manier die past bij wie ik ben? Hoe blijf ik trouw aan mijn behoefte aan rust en ruimte, zonder mensen van me af te duwen? Hoe kan ik verbinden, zonder over mijn grenzen heen te gaan? Misschien is vriendschap ook wel juist dat: niet perfect zijn, maar elkaar toch opzoeken. Niet altijd kunnen, maar toch blijven proberen. En elkaar, ondanks alles, blijven kiezen.